hersenletsel

 
De gevolgen van hersenletsel zijn voor iedereen verschillend, afhankelijk van de plaats van beschadiging in de hersenen en de ernst van de beschadiging. Er is bijna altijd sprake van een combinatie van overgebleven en verdwenen vaardigheden. Veel mensen hebben voor de buitenwereld onzichtbare restverschijnselen maar hebben zelf wel veel last.
 
Vaak is sprake van vermoeidheid, een trager reageren, problemen met geheugen. Bij frontaal hersenletsel zijn vaak problemen met impulscontrole, met planning van gedrag. Het is lastig in te schatten wat je nu precies kunt en aankunt en hoe je om moet gaan met de gevolgen. Vaak zul je daarvoor al therapie gehad hebben in een revalidatiecentrum.  
 
Lees hieronder ook over de gevolgen van hersenletsel en neurofeedback bij hersenletsel.
Lees ook de ervaringen van Carla, een volwassen vrouw met NAH en Joris, een jongen van 10 jaar met NAH.
 
Voor vragen op het gebied van neuropsychologie in relatie tot arbeid kun je contact opnemen met
 
Deze links ben ik aan het uitbreiden, zodat de informatie steeds actueler wordt en er een toelichting komt wat de betreffende organisaties precies kunnen bieden. Ken je organisaties die werken op het gebied van succesvolle en clientgerichte loopbaanbegeleiding, jobhunting, jobcoaching voor mensen met hersenletsel, dan vermeld ik deze graag op de website.
 
Laat me ook weten als er knelpunten zijn, zoals wachtlijsten, het moeilijk is geschikt werk te vinden, er onvoldoende kennis van hersenletsel is bij de loopbaanbegeleider, op de werkplek of in het reintegratiebedrijf of als regels beperkend zijn om uberhaupt te kunnen werken.
Samen kunnen we er voor zorgen dat er niemand tussen de wal en het schip valt of van het kastje naar de muur wordt gestuurd. Met Brainfact zetten we ons graag in om zorg, ondernemers, overheid en technologie te verbinden.
 
Stuur een mail als je vragen of opmerkingen hebt.
 
           
 
 
Niet-aangeboren hersenletsel (NAH) is letsel dat in de loop van het leven is ontstaan als gevolg van een ziekte of ongeval. NAH is geen medische diagnose, maar een verzamelnaam voor verschillende vormen van hersenletsel. Hieronder volgt meer informatie over de gevolgen van hersenletsel. 
 
NAH is te verdelen in traumatisch en niet-traumatisch hersenletsel:
 
  • Traumatisch hersenletsel ontstaat door een oorzaak buiten het lichaam. Bijvoorbeeld een botsing in het verkeer, een val van een trap of een harde klap op het hoofd bij een ruzie.
  • Niet-traumatisch hersenletsel ontstaat door een proces in het lichaam. Bijvoorbeeld een herseninfarct of hersenbloeding, een tumor, langdurig zuurstofgebrek, een vergiftiging of een ontsteking.
NAH veroorzaakt een breuk in de levenslijn. Vaak is iemand daarna tijdelijk of langdurig aangewezen op hulpverlening door professionals of naastbetrokkenen. Daarom heeft deze vorm van hersenletsel zoveel invloed op naasten zoals de partner, kinderen of ouders.
 
Naast NAH heb je ook hersenletsel dat al ontstaan is rond de geboorte of daarvoor. CP (cerebrale parese) is een vorm van hersenletsel, die al vanaf de geboorte bestaat en vroeger niet onderkend werd. Mensen met CP blijken vaak vergelijkbaar gedrag te laten zien, die  aanleiding geeft voor de diagnose ADHD, ADD of ASS, waarbij ook sprake is van sociaal-emotionele ontwikkelingsproblematiek en/of sprake van (licht) verstandelijke beperking.  
 
De gevolgen van hersenletsel zijn voor iedereen verschillend en kunnen merkbaar zijn op lichamelijk gebied, in iemands gedragemotie of cognitie. Iedere combinatie van deze gevolgen is mogelijk.

De gevolgen zijn onder andere afhankelijk van de plaats en de ernst van de beschadigingen in de hersenen.
 
Voorbeelden
  • Cognitieve gevolgen: problemen met aandacht, geheugen, tempo van informatieverwerking, ruimtelijk inzicht, plannen en uitvoeren van taken.
  • Emotionele gevolgen: stemmingswisselingen, eerder emotioneel zijn, snel boos zijn of juist emotioneel vlak.
  •  Gedragsmatige gevolgen: passief of onrustig zijn, impulsief reageren, boos of prikkelbaar zijn, geen rekening houden met anderen. 

Gevolgen van hersenletsel

 
De gevolgen van hersenletsel zijn voor iedereen verschillend, afhankelijk van de plaats van beschadiging in de hersenen, de ernst van de beschadiging. Er vindt zelden een enkelvoudige beschadiging plaats, dus er is bijna altijd sprake van een combinatie van overgebleven en verdwenen en verstoorde vaardigheden, waarbij de verschillen in niveau tussen wat iemand nog wel kan en wat iemand niet meer kan heel groot kunnen zijn. Veel mensen hebben ook voor de buitenwereld onzichtbare restverschijnselen. 
 

We onderscheiden kennis en begrip (intelligentie), het denkvermogen (cognitie), de persoonlijkheid en het gedrag.
 

Intelligentie

Het is vaak moeilijk vast te stellen welke kennis iemand nog heeft na het hersenletsel. Vaak is het begripsvermogen verstoord geraakt, maar is veel kennis van voor het letsel nog aanwezig. Hierbij moeten we kennis op het gebied van taal en op het gebied van ruimtelijk-visuele kennis onderscheiden, omdat beide in andere hersengebieden plaatsvinden.
 

Cognitie 

Dit gaat over de processen van informatieverwerking in het dagelijks leven. Ook het vermogen om nieuwe dingen te leren. We onderscheiden daarin de volgende begrippen:
· Orientatie in tijd, plaats en persoon
· Aandacht en concentratie
· Tempo van informatieverwerking
· Geheugen
· Schoolse vaardigheden, zoals lezen, rekenen, schrijven
· Logisch denken en probleemoplossend denken
· Leervermogen
 
Al deze vaardigheden zijn nodig om goed te kunnen leren. En iedereen met cognitieve stoornissen (hoe licht ook) zal dan ook leerstoornissen hebben.
 

Aandacht en geheugen

 
Aandacht 
Na hersenletsel komen verschillende soorten aandachtsproblemen vaak voor, vooral bij letsel in de 
voorhoofdskwab of de hersenstam. 
Problemen met de alertheid kunnen ervoor zorgen dat iemand het ene moment wel zijn aandacht erbij kan houden, opdrachten kan uitvoeren, terwijl dat het andere moment niet lukt. 
De volgehouden aandacht is het vermogen langer achter elkaar geconcentreerd aan een taak te kunnen werken. Na hersenletsel houdt iemand dat meestal korter vol dan voorheen. 
Bij het verdelen van de aandacht is iemand in staat meer activiteiten tegelijk op een goede manier uit te voeren zoals de krant lezen en tegelijk naar de radio luisteren. 
Veel mensen hebben hiermee grote problemen na het letsel en kunnen dan beter taken achter elkaar uitvoeren. 
Ook kunnen er problemen zijn vanwege een verhoogde afleidbaarheid waardoor iemand niet in staat is zich af te sluiten voor prikkels die hij normaal zou negeren zoals geluiden op de gang. Het voeren van een gesprek met je buurman op een druk verjaardagsfeestje is in zo’n geval nauwelijks te doen.  
Veel mensen hebben na hersenletsel zowel last van aandachtsproblemen als van geheugenproblemen.
 
Geheugen
Het opnemen, opslaan en terugvinden van informatie is van essentieel belang voor ons functioneren thuis en in de maatschappij. 
Iets onthouden is niet één activiteit, maar bestaat uit een groot aantal activiteiten op verschillende plaatsen in de hersenen. Dat is de belangrijkste reden waarom hersenletsel ongeacht de plaats van het letsel vaak tot geheugenstoornissen leidt. 
Vanuit de zintuigen komt de informatie in het sensorisch geheugen. Dit heeft een beperkte capaciteit van ongeveer 7 elementen zoals cijfers of letters. Dit geheugen houdt informatie ongeveer één à twee seconden vast voordat deze naar het kortetermijngeheugen of werkgeheugen 
gaat. Hier blijft het enkele minuten tot uren en wordt dan bewerkt, geordend en verbonden met al aanwezige informatie. Dan gaat de informatie naar het langetermijngeheugen waar het langere tijd bewaard wordt. Informatie kan hier eindeloos lang aanwezig blijven. 
Daarom is het van belang dat deze informatie daar goed wordt geordend. 
 
Het langetermijngeheugen wordt onderverdeeld in: 


 Het expliciet of declaratief geheugen waarin alle kennis (semantisch geheugen) en persoonlijke ervaringen (episodisch geheugen) worden ondergebracht die we bewust (expliciet) geleerd hebben.  Het impliciet of procedureel geheugen omvat bepaalde vaardigheden ( fietsen, zwemmen, etc.) die door veel oefening (impliciet) geleerd zijn. Dit zijn automatismen waarover we niet hoeven na te denken. 
Informatie van vóór het hersenletsel is in tegenstelling tot nieuwe informatie vaak wel beschikbaar. 
Voorbeelden van geheugenproblemen 

  •  Vergeten van afspraken, de inhoud van een telefoongesprek, van namen. 
  •  Vergeten of iets al gedaan is, waar iets neergelegd is. 
  •  Problemen bij het vinden van de weg in een bekende omgeving.

 Waarneming
 Na hersenletsel kunnen problemen ontstaan met het verwerken van de indrukken van de zintuigen door de hersenen. Bij deze waarnemingsstoornissen kan het gaan om problemen met het zien, het horen, proeven, ruiken en voelen. 
 
Problemen met het zien - visuele stoornissen - kunnen het gevolg zijn van iedere beschadiging vanaf het oog tot en met een gebied aan de achterkant van de hersenen; de achterhoofdskwab. 
 
Gezichtveldsuitval (hemianopsie) komt nogal eens voor. 
 
Dat betekent dat een gedeelte of maximaal de helft van het gezichtsveld van beide ogen weg is. Soms heeft iemand last van zwarte vlekken. Anderen hebben problemen met het centrale gedeelte waarmee je scherp kijkt. Een ander probleem kan zijn dat informatie uit het ene oog sneller verwerkt wordt dan informatie uit het andere oog. Ook kunnen er problemen zijn met het zien van diepte. 
Een apart probleem is de visuele inattentie of het neglect. 
Dat houdt in het negeren van de linker of rechter lichaamshelft of het linker of rechter deel van de 
omgeving. 
Gehoorverlies als direct gevolg van hersenletsel komt minder vaak voor. 
Permanent verlies van reuk of smaak komt soms voor na traumatisch hersenletsel of als gevolg van een tumor. 
Deze stoornissen kunnen de kwaliteit van leven ernstig aantasten. 
 
Sensibiliteitsstoornissen kunnen optreden in de vorm van een overmatige gevoeligheid bij aanraking of bij pijnprikkels. Ook kan de gevoeligheid juist verminderd of verdwenen zijn.
 
Orientatie in tijd, plaats en persoon
Oriëntatieproblemen komen vooral voor kort na het ontstaan van hersenletsel en verdwijnen meestal volledig op termijn. 
 
Oriëntatieproblemen in tijd houdt in geen besef hebben van het seizoen, de maand, de dag van de week of het tijdstip van de dag. Maar ook stoornissen in het tijdsbesef; het kunnen inschatten  hoe lang iets duurt of hoe lang een reistijd bedraagt. 
 
Oriëntatie problemen in plaats zijn problemen met het vinden van de weg of het weten waar je je bevindt. Voorbeelden zijn geen besef hebben van de gemeente, plaats of gebouw waar je bent. Problemen met het vinden van de weg betekent dat je in een onbekende omgeving geen aanknopingspunt hebt om de weg terug te vinden. Het plannen en uitvoeren van een route wordt dan een haast onuitvoerbare opgave. 
 
Oriëntatieproblemen in persoon betekent geen besef meer hebben van leeftijd of geboortedatum. Of niet weten wie je zelf bent, wat je onderscheidt van de ander. Iemand voelt zich een vreemde voor zichzelf en dat veroorzaakt vaak een gevoel van onwerkelijkheid. 
 

 Persoonlijkheid en gedrag

 
· Basisstemming. Bij beschadiging in de tussenhersenen kunnen mensen een andere basisstemming krijgen, bijv. heel somber of juist heel vrolijk. Het hersenletsel en de gevolgen in het dagelijks leven kunnen de stemming ook beinvloeden.
· Zelfbeeld en vertrouwen. Er veranderen dingen in de hersenen, waardoor sprake kan zijn van over-schatting of onderschatting van het eigen kunnen. Ook treedt vaak door de gevolgen van het hersenletsel onzekerheid op, omdat men niet meer weet wat men kan en leren moeilijker is. 
· Impulscontrole. Veel mensen met hersenletsel hebben moeite met de balans tussen inspanning en ontspanning. Beschadigingen in het voorste deel van de hersenen leiden vaak tot gebrek aan controle daarover. Beschadigingen in het linkerdeel kunnen mensen passief maken, in het rechter deel kan vaak sprake zijn van ongeremd gedrag.
· Evaluatie van eigen gedrag, ziekteinzicht en oordeelsvermogen. In interactie met anderen is bij sommige mensen lastig een relatie te leggen tussen eigen gedrag en de reactie van de omgeving daarop en zich daar dus op aan te passen. Ook is sociaal inzicht, inlevingsvermogen soms verstoord.
· Soms is de persoonlijkheid zo veranderd, dat we volgens de DSM-IV spreken van een persoonlijkheidsstoornis 
 Gedragsverandering
 
Gedrag is iedere waarneembare activiteit van een mens. Gedragsverandering kan een direct of indirect gevolg zijn van letsel in een bepaald gedeelte van de hersenen.
Hierdoor kun je na hersenletsel als persoon veranderen. 
Soms heb je dat zelf in de gaten, maar meestal valt het mensen in de naaste omgeving eerder en meer op. 
 
Voorbeelden van gedragsverandering als direct gevolg van hersenletsel: 

  • Te veel gedrag waardoor iemand motorisch onrustig is of niet stil kan zitten. Of verbaal onrustig is en te veel of te luid praat. Iemand kan ontremd zijn bij eten en drinken en daardoor alsmaar doorgaan of is in seksueel opzicht ontremd. 
  •  Te weinig gedrag met als gevolg initiatiefverlies, niet op gang kunnen komen of onverschillig zijn. Ook de afwezigheid van emotionele reacties valt hieronder.
  •  Agressief zijn in woorden en handelingen. 
  •  Sociaal onaangepast of onfatsoenlijk gedrag. 
  •  Depressieve stemming. 
  •  Niet kunnen stoppen met emoties als lachen of huilen; dwanglachen of dwanghuilen. 
  •  Op zichzelf gericht gedrag, egocentriciteit, dat iemand voor het letsel niet vertoonde. 
  •  Snelle en onvoorspelbare stemmingswisselingen; emotionele labiliteit. 
 
Voorbeelden van gedragverandering als indirect gevolg van hersenletsel: 

  • Gedrag en emoties die te verklaren zijn als een invoelbare reactie op hetgeen je overkomen is. Voorwaarde is dat iemand inzicht heeft in de gevolgen van het hersenletsel. 
  •  Gedrag dat kenmerkend is voor het verwerken van verlies van functies, vaardigheden en toekomstperspectief. Het kan gaan om emoties als ontkenning, boosheid, angst, depressie, opstandigheid of juist onverschilligheid. Vaak treden deze emoties pas op aan het einde of na de revalidatie.   

Communicatie

Communicatie is meer dan alleen het spreken en begrijpen van gesproken taal. Ook geschreven taal, 
intonatie, gebaren en lichaamstaal horen bij communicatie. 
Toch is communicatie vooral afhankelijk van het vermogen gesproken woorden en zinnen te begrijpen en te uiten. Kort na hersenletsel heeft bijna iedereen problemen met het begrijpen of uiten van taal. Na verloop van tijd bestaan die problemen vooral nog bij veel mensen met beschadigingen in de linker hersenhelft. 
Hierdoor kunnen stoornissen ontstaan in het woordbegrip, maar ook in het begrijpen van allerlei
taalregels. 
 
Voorbeelden van problemen in de communicatie: 
  •  Afasie, een verzamelnaam van verschillende stoornissen in het uiten en begrijpen van taal. 
  •  Dysartrie, een spraakprobleem met als gevolg onduidelijk of onverstaanbaar praten. Vaak is de coördinatie van adem, stem en articulatie verstoord. 
  •  Het niet begrijpen van de afgeleide betekenis van taal waardoor je bijvoorbeeld een grapje of gezegde letterlijk opvat. 
  •  Het niet opmerken van intonatieverschillen waardoor onduidelijk is of de ander bedoelt iets aardigs te zeggen of juist niet. 
  •  Zintuiglijke problemen zoals slechter zien, blindheid, slechter horen of doofheid. 
Communicatie kan ook onder invloed staan van andere problemen zoals je niet kunnen concentreren 
op de gesprekspartner of last hebben van een drukke omgeving. Ook niet kunnen onthouden wat de ander heeft gezegd of te moe zijn om informatie op te nemen, kan de communicatie negatief beïnvloeden. 
 Het niet kunnen tonen van emoties in woord of gebaar tijdens het gesprek kan bij de ander tot 
misverstanden of onbegrip leiden.  
 

Gevolgen voor het dagelijks leven

Hersenletsel kan grote gevolgen hebben voor het uitvoeren van lichamelijke en mentale activiteiten.
Veel mensen hebben na hersenletsel last van moeheid. Dit komt vaak en langdurig voor, is moeilijk te behandelen maar kan na verloop van tijd minder worden. Het is niet altijd duidelijk waar de moeheid nu precies vandaan komt. 
Dat maakt het lastig voor de persoon zelf, maar ook voor zijn omgeving. 
Moeheid kan ontstaan door lichamelijke inspanning, door cognitieve of mentale inspanning, door heftige emoties maar ook door problemen met inslapen of doorslapen.
 
Soms komt dit ook door een bijwerking. 
 
Voorbeelden 
  •  Lichamelijke moeheid: oefenen met lopen, transfers, zelfverzorging (ADL) oefenen, langdurig opzitten. 
  •  Cognitieve moeheid: lezen, tv kijken, praten met meer mensen tegelijk, winkelen, verblijven in een drukke omgeving, piekeren. 
  •  Emotionele moeheid: eerder en intenser reageren op gebeurtenissen, stress en onzekerheid, onverwachte gebeurtenissen. 
Moeheid kan leiden tot allerlei klachten zoals hoofdpijn, duizeligheid, verhoogde irritatie, emotionaliteit of meer pijn.
Door het herkennen van de signalen van moeheid is het mogelijk op tijd in te grijpen. Vaak betekent dat (tijdelijk) stoppen met een activiteit, rust nemen of wisselen van activiteit. Omgaan met moeheid vraagt om een goede afwisseling tussen activiteiten en rust, tussen belasting en belastbaarheid. Het kan helpen gebruik te maken van een planning en een vast dagritme. Ook is het belangrijk te durven toegeven aan moeheid.
 
 

 

<!-- training, motivatie, -->