Autisme-spectrum-stoornissen

Globaal worden er bij autisme en autismespectrumstoornissen drie symptoomgroepen onderscheiden: stoornis in de sociale wederkerigheid, stoornissen in taal en communicatie en stoornissen in het voorstellingsvermogen. Per persoon kunnen aard en ernst van de problemen verschillen.
 
In gedrag zien we vaak een geneigdheid zich te verzetten tegen veranderingen, angsten, pre-occupaties,  frustratie en een overgevoeligheid voor externe prikkels, zoals bijv. harde geluiden. Vaak bestaat er -zeker bij hoger functionerende autisten- een gevoel van anders zijn dan anderen en niet weten wat er aan de hand is. 
 
Bekijk hier de heldere uitleg in een filmpje.
 
Er is en wordt veel onderzoek gedaan naar mogelijke oorzaken en de soorten behandelingen voor mensen met autisme. Hoe eerder er duidelijkheid komt wat de sterke en zwakke kanten van iemand zijn des te eerder kan de omgeving zo passend mogelijk gemaakt worden. 

 

Naast begeleiding kan neurofeedback een rol spelen. 

Praktijkervaring leert dat neurofeedback een rol kan spelen in de zelfsturing, flexibiliteit en sociale interacties bij mensen met PDD. Neurofeedbackbehandeling vindt altijd plaats op basis van een QEEG. Lees hier de ervaringen van een jongen van 11 jaar met PDD en ADHD.

 
De laatste jaren is er meer onderzoek gedaan naar het effect van neurofeedback bij kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS). Daaruit blijkt, dat op qEEG gebaseerde neurofeedback vaak een positief effect heeft. Een onderzoek van Jarusiewicz (2002) laat zien dat na neurofeedbacktraining de score op de Autism Treatment Evaluation Checklist met 26% gezakt is, terwijl dit in de controlegroep 3% is. Bij kinderen met autisme die neurofeedbacktrainingen hebben ondergaan, zijn autistische symptomen en gedragingen significant verminderd.
 
Pineda (2006) toonde aan dat er na neurofeedbacktraining bij kinderen met ASS verbeteringen optreden in taken die een beroep doen op imitatie. Imitatie kan voor kinderen met ASS zeer moeilijk zijn.
 
Er wordt ook qEEG onderzoek gedaan naar de hersenactiviteit bij kinderen met ASS. Daardoor komt er steeds meer duidelijkheid in structurele verschillen in hersenactiviteit tussen kinderen met ASS en een controlegroep. Oberman (2005) toonde een daling aan van electrische activiteit op de motorschors bij zelfuitgevoerde en geobserveerde handelingen bij gezonden. Deze daling ontbrak bij mensen met autisme als ze andermans handelingen observeerden. Dit geeft een goede basis voor neurofeedbacktrainingen bij ASS.
 
Kouijzer, de Moor, Gerrits, Congedo & van Schie (2009) toonden aan dat er na neurofeedback een verbetering plaats vindt in aandacht en planning. Uit het onderzoek blijkt dat zeven  kinderen gediagnosticeerd met autisme verbeteringen laten zien in hun sociale, communicatieve en typische gedrag in vergelijking met een controle groep. Uit recent onderzoek (Kouijzer, van Schie, de Moor & Buitelaar, 2010) blijkt dat neurofeedback ook een positief lange termijn effect heeft op de symptomen van autisme en cognitieve functies.

Deze bevindingen sluiten aan bij die van Coben en Padolsky (2007), die verbeteringen vonden in aandacht, executieve en taalfuncties, en visuele waarnemingEr was een 40% afname in de autistische symptomen bij ongeveer negen van de tien kinderen. 

Holtmann et al. (2011) suggereren dat neurofeedback vooral de comorbide ADHD kenmerken van mensen met ASS vermindert in plaats van de kernsymptomen van de Autistisch Spectrum stoornis. Bovendien betreffen de studies vooral hoogfunctionerende  patiënten met een IQ > 70. Voor de kernsymptomen bevelen zij vooralsnog neurofeedback niet aan. 

Thompson, Thompson en Reid (2010) vinden daarentegen een vermindering van symptomen bij Asperger’s Syndroom, zoals aandacht, sociale moeilijkheden, angst en executieve functies. Deze resultaten ondersteunen wel de conclusie dat neurofeedback bijdraagt als interventie bij mensen van ASS. 

Referenties:
Coben, R. & Padolsky, I. (2007). Assessment-guided neurofeedback for autistic spectrum disorders. Journal of Neurotherapy, 11, 5-23.
 
Gaag, R.J. van der, I. van Berckelaer-Onnes (2002). Protocol autisme en aan autisme
verwante contactstoornissen. In: P. Prins en N. Pameijer, Protocollen in de jeugdzorg.
Lisse: Swets & Zeitlinger
 
Holtmann, M., Steiner, S., Hohmann, S., Poustka, L., Banachewski,  T., et al. (2011).Neurofeedback in autism spectrum disorders. Developmental Medicine & Child Neurology, 986-993.
 
Jarusiewicz, B. (2002). Efficacy of neurofeedback for children in the Autistic Spectrum: A
Pilot Study. Journal of Neurotherapy, 6, 39-49
 
Kouijzer, M.E.J., de Moor, J.M.H., Gerrits, B.J.L., Buitelaar, J.K., & van Schie, H.T. (2009b). Long-term effects of neurofeedback treatment in autism. Research in Autism
Spectrum Disorders, 3, 496-501.
 
Kouijzer, M.E.J., van Schie, H.T., de Moor, J.M.H., Gerrits, B.J.L., & Buitelaar, J.K. (2010). Neurofeedback treatment in autism. Preliminary findings in behavioral, cognitive, and neurophysiological functioning. Research in Autism Spectrum Disorders, 4, 386- 399.
 
Oberman LM, Hubbard EM, McCleery JP, Altschuler EL, Ramachandran VS, Pineda JA. (2005). EEG evidence for mirror neuron dysfunction in autism spectrum disorders. Brain Research: Cognitive Brain Research, 24, 190-8.
 
Pineda, J. (2006). Efficacy of Neurofeedback Training on Autism Spectrum Disorders (poster). Presented at Cognitive Neuroscience Society, San Francisco CA, April 8-11.
 
Thompson, L., Thompson, M., & Reid, A. (2010). Neurofeedback Outcomes in Clients with Asperger’s Syndrome. Applied Psychophysiology and Biofeedback, 35, 63-81.
 
Wing, L. (2001). The Autistic Spectrum. BerkeleyCA: Ulysses Press